Max Havelaar

Nog in 1859 schreef Douwes Dekker, berooid in Brussel, Max Havelaar, of De koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij. De kladversie van het boek werd geschreven tussen 16 september en 13 oktober van dat jaar, en daarna werkte Douwes Dekker nog drie weken lang aan een netversie van het boek, totdat zijn ogen zelfs ontstoken raakten. Daarna werd het handschrift ingebonden, en stuurde Douwes Dekker het boek naar zijn broer Jan, bij wie op dat moment ook Tine met de kinderen logeerde.

Jan op zijn beurt stuurde het boek aan mr. W.J.C. van Hasselt, vrijmetselaar, voorzitter van de loge "Concordia Vincit Animos", waar ook Multatuli sinds 1854 als lid was geaccepteerd. Van Hasselt op zijn beurt stuurde het boek zonder te lezen direct door aan nog een andere broeder in de vrijmetselarij: zijn goede vriend en collega, advocaat en letterkundige Jacob van Lennep. Het is dan eind november 1859.

Van de Max Havelaar was Van Lennep totaal verbluft: het boek was "b....(bliksems) mooi". Ondanks de bleke, met water aangelengde inkt leest hij het boek in krap een week achter elkaar in een adem uit. Reeds het manuscript van dit over de bestuurscultuur van Nederlands-Indië uiterst kritische boek maakte diepe indruk in leidende kringen in Nederland. Met Douwes Dekker - maar ook achter Douwes Dekkers rug om - werd onderhandeld om hem een 'convenabele betrekking' in West-Indië te bezorgen, op voorwaarde dat Douwes Dekker van publicatie zou willen afzien. Maar Douwes Dekker weigerde zich te laten afschepen naar Suriname of de Nederlandse Antillen, en gaf Van Lennep de opdracht het boek te doen uitgeven.

Lees meer...

Van Lennep vroeg Multatuli in een brief gedateerd 23 januari 1860 - het zogenaamde "advocaten-briefje" in de Multatuli-literatuur - om een bewijsstuk dat hij over het kopijrecht kon beschikken. Per ommegaande voldeed Douwes Dekker hieraan, en raakte zo al zijn rechten in juridische zin kwijt op zijn werk. Van Lennep had het schriftelijk bewijs in handen. Het auteursrecht was in die dagen beroerd slecht geregeld voor auteurs. Uitgevers waren enkel bereid iets te drukken als alle rechten aan hen werden overgedragen.

Van Lennep was hierin heel dubbel bezig, want enerzijds herkende hij de grote literaire waarde van het werk en wilde ook dat het werk werd uitgegeven, maar aan de andere kant was hij doodsbenauwd dat het boek een opstand zou kunnen inleiden en de Nederlandse koloniale belangen zou schaden. Van Lennep was een gentleman en rijk, maar ook zeer conservatief. In mei 1860 verscheen het bij uitgeverij De Ruyter te Amsterdam, en dit voor het destijds bijzonder hoge bedrag van vier gulden. Van Lennep had bovendien alle Nederlands-Indische plaatsnamen onherkenbaar gemaakt en tal van andere ingrepen toegepast.

Toon minder...