Multatuli HuisKorsjespoortsteeg

Eduard Douwes Dekker werd geboren in de Korsjespoortsteeg in Amsterdam uit een doopsgezinde familie. Zijn vader Engel Douwes Dekker was een scheepskapitein, afkomstig van Ameland. Engels ouders waren Pieter Douwesz en Engeltje Dekker. Engel Douwes gebruikte hun beider achternamen. De officiële achternaam zou echter Dekker zijn geweest; op de trouwakte van Eduard Douwes Dekker en Maria Hamminck-Schepel (1875) wordt de achternaam van de bruidegom vermeld als "Dekker, zich noemende en schrijvende Douwes Dekker". Eduards moeder Sietske Eeltjes Klein (soms ook "Klijn") was huisvrouw. In het gezin zouden vijf kinderen geboren worden: Catharina (1809-1849), Pieter Engel (1812-1861), Jan (1816-1864), Eduard (1820-1887) en Willem (1823-1840).

De latijnse school

Eduard was een intelligent kind. Hij bezocht de Latijnse school aan het Singel, een voorloper van het huidige Barlaeus Gymnasium. Al vroeg stelde hij kritische vragen over het geloof en schreef hij gedichten. Na twee of drie jaar verliet hij de Latijnse school zonder diploma, en in 1838 reisde Eduard aan boord van het schip waar zijn vader het commando over voerde naar Nederlands-Indië, waar ze in 1839 aankwamen in de hoofdplaats Batavia. Aldaar trad Eduard Douwes Dekker in dienst van het Nederlands Bestuur als commies van de Algemene Rekenkamer. In de daaropvolgende jaren maakte hij gestaag promotie als bestuursambtenaar, al beviel het financiële werk hem maar matig. Batavia, waar hij de eerste anderhalf jaar - los van het Nederlandse, kleinburgerlijke milieu - een vrolijk en afwisselend leven leidde, begon hem steeds meer tegen te staan. Omdat hij bovendien (speel)schulden had gemaakt, solliciteerde hij bij de gouverneur-generaal naar een post in een buitengewest.